­

"Wij geloven dat vanuit de liefde

Gods elk mens waardevol is"

Voor de dienst begon keek ik de liturgie even door.
Erboven staat: “En wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren!”

Ik ben verrast, dit was toch het gedicht dat bij de uitvaart van mijn schoonmoeder centraal stond. Van wie was het ook alweer…?
Ik stoot Hans aan en vraag: “Hoe heet die brug, die wij altijd overgaan op weg naar het zuiden…, je weet wel, bij die toren zonder spits?”
Ik wijs naar de tekst (een typisch voorbeeld van onze communicatie tegenwoordig, vrees ik).
nijhoff“Nijhoff-brug”  zegt hij en gaat weer door met het voorprogrammeren van de te zingen liederen.
Nu ik weet hoe die brug heet, weet ik dus ook de naam van de dichter.

Martinus Nijhoff schreef in 1934 dit sonnet:

“De moeder de vrouw”
Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of l
bommeldat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd -
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer.

En wat zij  zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, O, dat daar mijn moeder voer.
“Prijs God," zong zij, “Zijn hand zal u bewaren.”

Hij lag te picknicken aan de waterkant, toen hij plotseling psalmen hoorde zingen.
Toen hij opkeek zag hij een vrouw, moederziel alleen, staande in een boot over het water gaan.
Ik weet nog, dat ik het een ontroerend beeld vond, bij het afscheid van mijn schoonmoeder.
Immers, ze had al jaren niet rechtop gestaan. Ze zat in een rolstoel en zo was ze de mantelzorger van haar dementerende echtgenoot.
Ze was toch “de stuurvrouw” op hun boot geworden.
De dominee, die de uitvaart leidde, nam aan dat zij als vrouw van een predikant  wel psalmen zou zingen …… maar, hoewel ze een prachtige, geschoolde stem had en erg van zingen hield, hadden psalmen niet haar voorkeur.

Dat alles bedacht ik, terwijl ik in de kerk in Maarn op de dominee zat te wachten.
Het was vorig jaar en Aleida deed de dienst.
Tijdens de dienst liet ze het gedicht uitdelen en gaf nog wat meer achtergrondinformatie. Zo zou de dichter niet zelf bij de brug hebben gezeten, maar iemand anders. Maar zoiets mag natuurlijk als je dichter bent.
Ik heb erg van de uitleg genoten en nam me voor snel eens echt naar Zaltbommel  te gaan en niet alleen maar om er vanaf de brug naar te kijken, maar ook eens het stadje te bezoeken.
zaltbEen paar weken later, kreeg ik onverwacht de gelegenheid dat te doen.
Mijn schoonzusje stuurde ons een uitnodiging……
Een uitvoering van haar vroegere cantorij in de grote “St. Maartenskerk”.
Inderdaad een grote kerk, die hoofdzakelijk nog voor concerten wordt gebruikt.Bij de ingang werden ons dekentjes, voor over de knieën, uitgereikt. Ik, als enorme koukleum, vond dat een slecht voorteken. Maar nee, er werd hartverwarmend mooi gezongen.
En opeens hoorde ik mijn schoonmoeder zingen: “Im Herbst” van Mendelssohn Bartholdy. De sopraan, die het zong, leek in niets op haar, maar haar stem in alles! Deze aria werd vaak door haar gezongen. Met een brok in mijn keel kijk ik naar man en schoonzus, die beiden hetzelfde denken.

Ze voer niet alleen buiten op het water; ze was hier ook binnen in de kerk!

Jannie Koppert    (Thema boekenweek 2019)

Anna

De dominee uit een dorp in de Betuwe kreeg in de oorlog het verzoek een plaats te vinden voor een Joods echtpaar. Zij kwamen oorspronkelijk uit Berlijn, maar werden daar verjaagd en moesten huis en spullen achter laten. Aanvankelijk waren ze veilig in Den Haag, maar dat was van korte duur. Ook daar moesten ze weg.

jannieEen huis aan het kerkplein in Ingen –tegenover de kerk- had nog wel een kamer vrij. Ze waren dankbaar voor deze plek en zo kwamen ze de oorlog door. Ze hadden geen kinderen, maar toen ze eindelijk in 1944 weer uit de Betuwe vertrokken naar Den Haag, bleek Helga zwanger te zijn. Mijn schoonmoeder wist het nog goed, want zij was in diezelfde periode zwanger van haar derde zoon.

Het contact met de familie verwaterde een beetje en bleef beperkt tot wat kerstgroeten. De man van het echtpaar was advocaat en hield zich bezig met het bijstaan van andere Joodse families om zo, misschien, nog iets van achtergelaten bezittingen terug te krijgen. Voor hen was de oorlog nog lang niet voorbij….!  Hans (mijn man) zocht ze eens op tijdens zijn “diensttijd” in Den Haag. Er liep een verlegen meisje rond van een jaar of dertien: “Anna”.

Jaren later –we woonden toen al in Maarn- kwamen we tussen de spullen van opa (de dominee) een foto tegen; “Anne 2-01-45” stond er op de achterkant. We rekenden uit hoe oud Anne zou zijn en vroegen ons af, wat er van haar was geworden. Anne heeft een heel bijzondere bijna onuitspreekbare achternaam. Ze moest te vinden zijn. Mensen opsporen is een populaire bezigheid als je wat ouder wordt. We vroegen ons af of de gemeente Den Haag hieraan mee zou werken. Het eerste antwoord was: “neen”, maar toen we ons verhaal vertelden belden ze ons de volgende dag op en kregen we haar adres.

We maakten contact met Anna door haar de foto op te sturen en tevens feliciteerden we haar met haar 50e verjaardag. Anna reageerde vrij snel met een wat formeel briefje, waarin ze overigens wel aangaf ons te willen ontmoeten.

Op een mooie dag in maart was het zover. Anna kwam naar Maarn. We hadden ons ingesteld op een wat verlegen introverte dame, maar het tegendeel was waar. Anna was leuk……. Haar donkerbruine ogen straalden!  Ze wilde dolgraag met ons naar de Betuwe, dus we stonden al snel bij Elst op de pont. We genoten van het mooie weer, alsof we het voor haar hadden besteld en kado gaven. Op naar het kerkplein in Ingen. Een plek met ook mooie herinneringen voor mijn man; hij heeft er een groot gedeelte van zijn jeugd doorgebracht.

We troffen het… want het “onderduik-huis” stond leeg. Een jong stel was bezig met verbouwen, het huis was nog in de oorspronkelijke staat. De deur stond open en “we mochten wel even binnen kijken” zeiden ze. Anna liep naar de voorkamer, een soort opkamer. Ze keek door het raampje naar buiten en bleef even doodstil staan. Wat ze door het kleine raampje zag was het schilderijtje dat jaren boven de tafel in haar ouderlijk huis hing. “Hier stond mijn moeder dus, toen ze het schilderijtje maakte!”

Het jonge stel, dat achter ons aan het werk was, kwam er ook bij staan en samen keken we naar de kerk met de bomen aan de overkant en naar Anna, die rondkeek en vrolijk opmerkte ”in deze kamer te zijn ontstaan”.  Anna had nog veel vragen, maar het jonge stel kon haar daarmee niet helpen.

Of toch…… er scheen een ongetrouwde dochter te zijn geweest, die na het overlijden van haar ouders bij een neef en nichtje was gaan wonen op een boerderij net buiten het dorp. Zij kon slecht lopen en zat daarom in een rolstoel. Met het adres op zak togen we naar de boerderij. We mochten binnen komen en het eerste dat ons opviel in de grote woonkeuken, was een oude dame in een rolstoel bij de kachel. Ze was een beetje ingedut, maar ze straalde toen ze Anna zag en begroette haar met haar moeders naam: “Helga”! “Ja, ik lijk veel op mijn moeder, maar ik ben haar dochter!” zei Anna.

De neef en nicht van de bejaarde dame waren verwonderd over de reactie van hun tante. Meestal zei ze niet veel en waar had ze het nu eigenlijk over …? Anna vroeg haar hoe haar moeder aan teken- en schilder-spullen kwam. “Daar zorgde ik voor”, zei de dame trots, “soms tekenden wij samen”. Anna had nog veel meer vragen en de oude dame werd plotseling het middelpunt van de belangstelling. Iets dat ze waarschijnlijk al jaren niet was geweest.

Vol met indrukken verlieten we de mooie Betuwe. We konden niet kiezen wat het mooiste was die dag: Het uitzicht vanaf de “opkamer” of de dame in de rolstoel. (Gelukkig hoefden we niet te kiezen). En Anna is nog steeds een leuke vriendin.

Jannie Koppert

(De namen van Anna en haar moeder zijn in werkelijkheid anders)

Vorig jaar deed ik mee aan “NL-DOET”. Een dag vrijwilligerswerk in het AZC in Leersum had ik uitgekozen.

Als iemand me zou vragen waar ik was toen ik hoorde dat John Kennedy was vermoord, zou ik je dat zo kunnen vertellen. Ik was net uit de bus gestapt en op weg om mijn fiets te pakken.  Ik zou zonder moeite kunnen uitrekenen welk jaar het was, want ik zat in de examenklas.

Voor de tweede keer in korte tijd zit ik hier in het kerkje van mijn jeugd. Vandaag om afscheid van Willem te nemen, precies veertig dagen na het afscheid van zijn lieve vrouw Marie.

­