­

"Wij geloven dat vanuit de liefde

Gods elk mens waardevol is"

Wat is een held. Stel nu dat heel Maarn hier op de Kapelweg achter iemand aanloopt, om iemand heenloopt, dat de mensen hun jassen, hun jacks op de straat leggen, dansen, springen, helemaal uit hun dak gaan. Wat zou dat voor iemand zijn die dat voor elkaar krijgt. Misschien zeg je iemand die in een of andere sport iets geweldigs gedaan heeft. Of een of andere grote popster die hier in Maarn op bezoek komt. Maar ja, we weten wel dat niet iedereen van sport houdt en dat niet iedereen gek is van popmuziek.

Als we dan nu nadenken over Jezus. Wat had Hij dan wel niet gedaan. Dat de mensen zo achter Hem aan liepen. Niet een paar mensen, maar eigenlijk iedereen. Oud, jong, ze kwamen overal vandaan. Ze waren voor een deel met Hem meegekomen en nu op de Olijfberg vlak bij Jeruzalem. Ze waren overal achter Hem, voor Hem, om Hem heen. Ze dansten, ze sprongen, ze zongen. Ze rukten de takken van de bomen. En zwaaiden ermee. En ze riepen. Dat Hij de grootste was, dat Hij de koning was. Het was wat. Al die mensen hadden dat niet met elkaar afgesproken. Het gebeurde gewoon. Het was één grote explosie van vreugde.

Wat was er met Jezus. Wat maakte dat die mensen zo uit hun dak gingen. Nou, ze wisten: Hij maakte veel mensen beter, Hij deed ook wel wonderen. Hij hield toespraken. De mensen vielen er niet bij in slaap, want het ging ergens over. Als ik zeg dat Hij zo aardig was, is dat zwak uitgedrukt. Hij was dat tegen iedereen. Hij hield van mensen, van alle mensen. Hij maakte geen verschil. Jezus had indruk gemaakt op al die mensen. Ze hadden verhalen over Hem gehoord. Nu zagen ze Hem zelf. En dan moet je nog weten dat het toen eigenlijk oorlog was. In het Israel van toen waren de mensen niet zelf de baas, maar de Romeinen. Die konden erg wreed zijn. Overal waren soldaten. De mensen waren door de oorlog arm en ze waren die oorlog zo zat. En toen was daar Jezus. En ze dachten, ze wisten het ineens. Deze man, deze Jezus dat is de man die we moeten hebben. Hij kan ons van de Romeinen verlossen. Hij is Koning. Wat? We máken Hem koning. Zo waren die mensen bezig. Zo van: Waar is het feestje. Hier is het feestje.

Wij vieren dat ook vandaag. Met al die mensen mee. Met die mensen van toen. Het is ruim 2000 jaar geleden dat het gebeurde. Maar wat maakt nu dat het zo bijzonder is voor ons. Voor de hele wereld. Dat kinderen en ook volwassenen, in Amerika, in Australie overal vandaag met palmtakken en palmpasenstokken bezig zijn. Laten we eens naar Jezus zelf kijken. Je zou denken. Hij zit heel hoog, op een geweldig mooi paard. Maar nee, Hij zit op een ezeltje. Dat is al merkwaardig. En dat ezeltje sjokt met Jezus erop naar beneden. Steil naar beneden. Jezus ziet daar de stad liggen. Aan zijn voeten. Daar zijn nog meer mensen. Nog meer mensen die gaan juichen voor Hem. Maar Jezus heeft sterk het gevoel. Hij wéét het eigenlijk, dat het daar beneden niet goed zal gaan. Hij weet dat mensen zo maar ineens kunnen omslaan. Dat ze deze dag zijn naam roepen, zijn handtekening willen en dat ze Hem zomaar op een andere dag kunnen uitschelden, dat ze Hem niet meer moeten. En we weten hier met z’n allen dat dat ook gebeurd is. Dat al die mensen Hem zelfs dood wilden.

Jezus reed zo – steil naar beneden- z’n ongeluk tegemoet……

Jullie hebben allemaal wel eens ruzie thuis met een broertje of zusje. Mijn moeder, misschien jullie moeder ook wel, zei dan wel eens. Wees jij dan de wijste. Dat betekende dat ik de minste moest zijn. Daar had ik vaak helemaal geen zin in. Nou, het geheim van Jezus is dat Hij dat wel deed. Omdat zijn Váder dat zei, omdat zijn Vader dat wilde. En Hij deed het niet een keertje, niet voor een momentje, maar in het groot, altijd. Hij was de minste, de wijste, Hij ging er niet tegen in. Hij verdroeg het. En toen, en dat gebeurt nog, kijk maar in de krant en op de televisie, ging dat heel ver met dat geweld. Toen kwam Hij tenslotte aan het kruis. Dat deden de Romeinen en de Joden samen. En al die mensen die zo liepen te juichen, waren het daarmee eens.

Het is feest vandaag. We vieren dat Jezus koning is. Maar het is een vreemd feest. Het is een koning op een ezeltje. Het is een koning met tranen in zijn ogen. Het is een koning die eigenlijk heel dicht bij ons komt. Omdat Hij de wijste was, de minste werd. Wijzer en minder dan wij, dan jij, dan u, dan ik. Op die manier koning zijn, dat wil niemand en dat kan ook niemand. Dat weten we, dat voelen we wel. Mèt al die mensen vandaag over de hele wereld. Die deze week zullen zingen: Is dat, is dat mijn koning.

Vandaag vieren we zijn bijzondere feest.  En deze week zullen we misschien zingen of horen: Is dat, is dat mijn koning? Ik hoop dat dat wij hier in de kerk en deze week daar antwoord op geven. Als we het met vallen en opstaan willen leren, de minste te zijn. Als we ons antwoord geven. Ja, dat is mijn Koning.  Amen

­