­

"Wij geloven dat vanuit de liefde

Gods elk mens waardevol is"

Gemeente van Jezus Christus,   

Om te beginnen een gedicht. Van Guido Gezelle.

Gij bad op enen berg alleen

Gij bad op enen berg alleen,
en... Jesu, ik en vind er geen
waar 'k hoog genoeg kan klimmen
om U alleen te vinden:
de wereld wil mij achterna,
alwaar ik ga
of sta
of ooit mijn ogen sla;
en arm als ik en is er geen;
geen een,
die nood hebbe en niet klagen kan;
die honger, en niet vragen kan;
die pijne, en niet gewagen kan
hoe zeer het doet!
O leer mij, arme dwaas, hoe dat ik bidden moet!

Een tegenstelling die er zeer toe doet vanmorgen, tussen Jezus en ons. Want Hij bidt, Hij trekt zich terug, Hij zoekt contact met zijn Vader, Hij stemt op God af over wat Hij meemaakt, over wat de bedoeling is van zijn leven, van zijn toekomst. Doen wij dat. Hebben wij het daar niet veel te druk voor. Zijn we niet veel te veel bezet met van alles en nog wat? Dan leer je het ook niet. Dan raak je vervreemd. Van dat bidden. En mogelijk ook van God. Vandaar die verzuchting van Gezelle in de laatste dichtregel: O leer mij, arme dwaas, hoe dat ik bidden moet!

Jezus wil die drie discipelen en ons vanmorgen iets leren. Hij neemt ons  mee op zijn gebedstour. En dan volgt er meer. We komen uiteindelijk hoog in de bergen, horen de stilte, ademen de zuivere lucht in. Hebben een prachtig uitzicht. Zien ook hoe het pad weer naar beneden gaat. Hoe we dan weer in het laagland van ons leven komen. Jezus neemt ons nogmaals mee. Als mensen die een beetje van Hem weten, maar die Hem toch vaak niet goed kunnen volgen. Want als voorbeeld spreekt Hij ons wel aan, maar dat lijden waarover Hij het soms heeft. Hoe moet je dat nu precies zien. Hoe moet je dat, om met een verdwenen lied uit het liedboek te spreken, recht betrachten.

Op de top van de berg gebeurt iets wat ons verstand te boven gaat. Die drie discipelen maken het mee, vertellen er veel later over. Als het al te vertellen is, want hoe geef je aan zoiets woorden. Ze komen erachter dat God niet veraf is, als ze bij Jezus in de buurt zijn. Jezus krijgt een andere gedaante, Hij wordt lichter dan licht, glanst, schittert. Zijn kleding is intens wit. En er zijn twee groten van Israël, profeten, leiders. Die met Jezus spreken. Waarover zegt Marcus niet. De evangelist Lucas meldt dat dat gesprek gaat over wat er later in Jeruzalem zal gebeuren. Over het lijden. Het heeft dus te maken met de missie van Jezus. Over wat voor Hem ligt. In die immense heerlijkheid gaat het gesprek met die twee daarover. Want Jezus zelf wil zijn eigen lijden ook recht betrachten. Mozes en Elia, dat kan toch niet, die waren toch al lang dood, zult u zeggen. Maar dat is een typisch-platte opvatting. Een redenering van de begane grond, zoals mensen praten en denken in platland, waar alleen lengte en breedte de werkelijkheid bepalen: zo van, hoe lang leef je en hoe breed heb je het? Maar platland is een gebied zonder hoogte en diepte. In platland leef je en sterf je en daarmee basta. Maar wat ons hier verteld wordt vindt plaats op een hoogte. Dat wordt er niet voor niets bij verteld. In platland kom je Mozes en Elia niet tegen, maar op de berg wel, in de hoogte, misschien nog beter: in den hoge. Mozes en Elia zelf hadden ook een ontmoeting met God op een berg. Mozes kreeg daar met dat onwillige volk in de diepte die platte stenen waarop stond hoe we moeten leven, wat de bedoeling is. En Elia is een andere ervaringsdeskundige. Hij spreekt met Jezus over zijn strijd tegen Baäl. Dat is niet een flutgod uit de ouwe doos. Elia vat het kort samen. Baal is een BH-god: de god van het beheersen en het bezitten, en de god van het hebben, houden, halen. Het is de god van alles willen begrijpen en bevatten, de god van de overmoed en alles-willen-beheersen. Maar de God van Israël heet Ik zal er zijn! Hij is een God van genade, ontferming en liefde. Hij zegt: Ik zal er zijn, waar je ook gaat of staat. Hem dienen betekent het leven aanvaarden als een geschenk. Niet het leven in de hand hebben, maar uit zijn hand ontvangen. Elia kwam God ook niet zomaar tegen. U hoorde het net. Na die hele geschiedenis  met koningin Izebel en die Baälpriesters, was hij teleurgesteld. gefrustreerd, depressief. Maar dan de ontmoeting met God in dat ene stille  moment in die bergholte. God, bijna voelbaar. Daar krijgt Elia dan ook weer een opdracht. Het klinkt bijna zakelijk. Over wat hij moet gaan doen.  Mozes en Elia, ze hebben ervaring met onwillige mensen uit platland. Ze hebben ervaring met lijden, met geduld hebben, met de blikrichting op het grote perspectief houden. Het perspectief van God. De verheerlijking op de berg daar gaat het vanmorgen over. Het is alle eer voor Jezus, een groots moment.

Dan is er ook iets dat die drie die daar helemaal niet van zijn eigenlijk, verrast. Ze willen dat moment vasthouden. Ze weten niet waar ze in beland zijn, ze zijn geschrokken. Maar Petrus, altijd weer Petrus, zegt: Laten we het vasthouden, laten we tenten maken. Ze willen bij wijze van spreken een selfie maken.. Maar dat is het niet. Het gaat er niet om dat moment vast te houden. Er is ook een stem. Want Floris had het over een wolk. Er is daar een wolk. En er komt een stem uit die wolk. En die wolk dat weet u nog wel van die tocht van het volk Israël door de woestijn, dat was ook iets van Gods aanwezigheid. Als die wolk er was, werd de richting bepaald. Die wolk staat voor Gods aanwezigheid en voor zijn heiligheid. En nu komt uit die wolk een stem. En die stem zegt een zin die Jezus al kent, die Hij bij zijn doop gehoord heeft. Dit is mijn geliefde Zoon. God heeft alles geprobeerd onder Mozes en Elia. Eigenlijk zegt Hij in dat tweede deel van de Bijbel. Ja, dan moet het maar op deze manier. Dit is iemand van mijzelf, dit is mijn geliefde Zoon. Luister naar Hem. Griekse werkwoord voor dat luisteren houdt terugkomt in ons woord akoestiek. Dat klinkt nogal. Hoor naar Hem. Dát is voor de discipelen. Niet vasthouden, maar die stem die is belangrijk, daar draait het om op dit moment. Op de top wil iedereen komen.

over de top is al niets, laat staan helemaal naar de kelder, naar de diepte. En dat gaat gebeuren, want we gaan weer naar beneden. Met Jezus. Ik zei het in het begin al. Veertig dagen dat is een tijd van inkeer, van de laagte van de diepte. En wij zijn mensen van de laagte, van die diepte. Maar we hoeven er niet zes weken één grote 4 mei viering van te maken. Elke zondag, juist ook in de veertigdagentijd zijn er snippers van Pasen. Zoals hier op de top van die berg. Als Jezus de Koning is. We vieren altijd alles achteraf. We weten dat het Pasen is geworden.  We zouden kunnen zingen: O hoogte en diepte, looft nu God. Het is èn èn.

Wat moeten we meenemen vanmorgen. Op deze bergetappe. Het is die stem en om wat die stem zegt. Het gaat om Jezus. En dat luisteren naar Hem staat in de gebiedende wijs. En er is een akoestiek in die bergen. Het kaatst tegen de heuvels als we naar beneden gaan. Luister naar Hem. Ook in deze weken als wij platlanders weer in ons gewone gedoe komen.  Die stem, die gestalte, die persoon, die mens. Daarstraks zongen we dat lied over dat moment in Getsemane (over het lijden). En u weet, daar leverde Jezus zijn strijd. Daar heeft Hij het uitgevochten. Heel alleen. Want die drie, die lieten Hem toen juist in de steek. Wij zijn daar niet van. Van dat hele diepe lijden, van die worsteling. Dat is er maar een. Die al het leed, al het kwaad van de wereld op zich af zag komen. En wist dat Hij daarin ondergedompeld werd, daarin meegesleurd werd, dat Hij dat zou dragen, dat Hij er vrijwel in ten onder zou gaan. Daar heeft  Jezus leren zingen wat in de Matthäus Passion voorkomt: Was mein Gott will, das g’scheh allzeit. En zo ziet u: hoogte en diepte, het komt bijeen op deze zondag. Aan het kruis met al die wonden, waar wij dan zingen: Is dat, is dat mijn Koning, dáár schittert Hij, daar glanst Hij. En doordat dat wonder is gebeurd, kent de hele wereld zijn naam, kunnen wij in de grootste diepte toch leven vanuit wat Hij deed, die Koning, die juist in de laagte  de hoogste werd.    Amen

­