­

"Wij geloven dat vanuit de liefde

Gods elk mens waardevol is"

Gemeente van Jezus Christus

Hoog en laag, boven en beneden. Dat zijn de kernwoorden vanmorgen. In de eerste twee schriftlezingen zitten we in Egypte. Bij Israël vergeleken is dat laagland. De statenvertalers gaven die twee Hebreeuwse werkwoorden destijds goed weer. Je daalde af naar Egypte en je klom daaruit op.

We hoorden over Jozef. 110 was hij geworden. U kent zijn levensverhaal. Door zijn jaloerse broers verkocht naar Egypte In dat laag gelegen land ook nog weer dieper afgedaald in de gevangenis. Tot onderkoning verhoogd. Met zijn familie herenigd. Gezegend met kinderen, klein en achterkleinkinderen. In dat laagland Egypte gestorven. En dan zijn de laatste woorden van het eerste bijbelboek: en ze legden hem in een kist in Egypte. Dat is het einde van het boek dat Genesis heet. Oorsprong betekent dat. Schepping. Léven was het. En dan is het finito?  Een mens in een kist?  Is dat het laatste. Je kunt het definitieve afscheid nog wel iets uitstellen. Maar het moment komt, dat je de kist dichtschroeft. Dat iemand het huis uitgaat. Je kunt je hand nog wel even op de kist leggen. Maar ook dat wordt: verleden tijd. Dat besef je, die dagen en alle dagen daarna. Vreemde en vervreemdende dagen. Hij of zij is niet meer. Je leven en je levensprogramma, het ziet er allemaal totaal anders uit. Aan het eind van het boek Genesis is het paradijs van het begin geheel verdwenen.

Jozef heeft nog instructies gegeven voor zijn uitvaart. En die zijn opmerkelijk. Hij spreekt met klem uit: ze moeten hem niet in Egypte achterlaten. Als ze ooit uit Egypteland weer gaan, naar dat beloofde land. Dan moeten ze hem meenemen. Ze moeten hem balsemen. Ze moeten zijn lichaam voor dat moment conserveren. Hij laat het hen beloven. Dat ze hem niet in dat laagland, dat land van de nacht en van de dood achterlaten. Als Jozef deze woorden uitspreekt, zijn dat sporen van het terug vertellen. Genesis is een prachtig boek, maar het wordt ook prachtig verteld. Pas eeuwen daarna. Als voorgoed wordt opgeschreven wat aldoor mond op mond is doorverteld. De woorden van Jozef geven aan: het is niet afgelopen in dat laagland van de dood. Het land van de piramides, het land van een uitgebreid bijgeloof over de dood. Nee, Jozef wil deel uitmaken van de toekomst van God. Met zijn broers, met zijn volk. Opgaan naar het land van de belofte. Zo heeft dat boek Genesis een open eind.

Het boek Exodus volgt. Uitweg, bevrijding betekent dat. Daar gaat gebeuren waar Jozef het over had. Het is dan een andere tijd. Er is een farao die Jozef niet gekend heeft. En de nazaten van Jozef worden als een probleem gezien. Er zijn er veel te veel. Ze worden onderdrukt en bedreigd met uitroeiing. Pasgeboren jongetjes mogen niet blijven leven. En zo zijn er twee ouders die een knap jongetje niet zomaar (kunnen) prijsgeven aan de dood. Het bibberend van angst in het riet plaatsen, in een mandje. Niet in een kist, niet dichtdoen, want dat jongetje leeft en moet kunnen ademhalen. En dan loslaten. Op hoop van zegen. Ook hier is weer een verteller bezig. Die vertellers geven niet een filmisch verslag. Ze vertellen achteraf. Ze duiden dus wat er gebeurt. Die verteller gebruikt voor dat mandje hetzelfde woord als voor de ark. U weet wel dat grote ding dat Noach moest maken voor zichzelf, zijn familie en de dieren om in die grote ramp, die zondvloed bewaard te blijven. Te blijven leven. Die verteller van Exodus heeft dat kleine jongetje in zijn mandje in het riet van de Nijl laten drijven. Met een glimlach om zijn lippen. Want het jongetje lag in een arkje. En de mensen die dat verhaal hoorden, wisten zó dat het goed af zou lopen, dat het jongetje het er levend van af zou brengen….. Dat jongetje wordt de man Gods. Mozes. Uit het water getrokken betekent het. Uit de dood. Hij, mèt spraakgebrek, speelt een sleutelrol in de bevrijding van het volk. Als gebeurt waarover Jozef het heeft. Als ze naar boven gaan, als ze opklimmen, richting het beloofde land. Waar ze na de vele vijven en zessen van de woestijn ook komen.

 Maar nu. Nu wordt het lastiger. Want we hebben nu te maken met een visioen. En daar komt dus geen terugvertelling bij kijken. Het gaat over de toekomst. In het laatste bijbelboek staan veel visioenen. Wat zijn het. Dromen? Gezichten. Glimpen van de toekomst. Wie hebben er visioenen. Profeten, apostelen in de bijbel. ‘I have a dream’ riep een zwarte dominee in de vorige eeuw. One day. En toen beschreef hij een dag dat er geen zwarten als uitzondering meer waren. Die dag, die tijd is ook gekomen. Want, gemeten aan dat visioen, zijn de huidige president van Amerika, alsmede de Zwarte Pietentoestanden bij ons, natuurlijk maar randverschijnselen. One day. Er zou een dag komen. Dat zag hij, dat verwachtte Martin Luther King.  Met grote stelligheid.

Zo zou je de verwachting van de apostel Johannes kunnen zien. Hij ziet van boven een prachtige stad neerdalen. Hij herkent die stad. Het is Jeruzalem. De stad waar genoeg oorlog en strijd geweest is, maar die nu volkomen in tact en onbeschadigd op de aarde komt. Nu echt stad van de vrede. Voor hem een signaal dat na alle visioenen die hij gezien heeft, nu het volmaakte komt. Dat God alles herstelt. Dat visioen is zo gaaf, zo prachtig als een bruid, die op de grote dag in vol ornaat verschijnt. Johannes hoort een stem die dat tafereel begeleidt. God zal bij de mensen wonen. Wat betekent dat. Dat er ’s zondagsmorgens nooit meer een kyriegebed wordt gebeden. Dat alle ellende van deze wereld, dat alle pijn, alle tranen, verleden tijd zijn. Voorgoed. Alle dingen worden vernieuwd. Daar kun je sceptisch over zijn. Mensen om ons heen en wijzelf ook kunnen dat zijn. Moet je aan dat visioen geloof hechten. De betrekkelijkheid van een mensenleven. In interview zaterdag in de krant daarover: Wat ben ik meer dan een vlieg die doodgeslagen wordt. En Reve schreef jaren geleden al in een gedicht: Dat Koninkrijk van U, wordt dat nog wat? Nee, wij mensen van beneden, we zijn sceptisch over zo’n visoen.  Je moet het in ieder geval niet letterlijk nemen. Want niets is hier letterlijk vanmorgen. Het gaat niet om het letterlijke. Want hier, vanmorgen, in de gemeente van Jezus Christus is het altijd groter, hier wordt je horizon verruimd. God is te groot dan dat wij Hem zouden kunnen denken. Alles wat ik hier vanmorgen zeg, is bij benadering. Niets is hier letterlijk vanmorgen. Hier is het altijd groter, hier wordt je horizon verruimd. God is te groot dan dat wij Hem zouden kunnen denken. Alles wat ik hier vannmorgen zeg, is bij benadering. En daarbij heb ik steun aan de woorden die opgeschreven staan. In dit boek dat ons overgeleverd is, al eeuwen.

Jezus. Zijn stem klinkt in het visioen. Hij is het aanknopingspunt tussen boven en beneden. Vanaf volgende week richten wij ons op Kerst. Een geweldig mooi feest. En volgend voorjaar luisteren massaal naar de Matthäus Passion. Hij is een van ons geweest. Zijn stem klinkt in dit visioen. Zegt dat het op een keer allemaal afgelopen is met de tranen en het geweld waarin mensen doodgeslagen worden alsof het vliegen zijn. Hem kennen wij. Hij was er een van de laagte. Een van ons. God met ons.  Immanuël. Hij is van boven en van beneden. Hij is dieper dan Jozef afgedaald in de laagte van deze wereld. Hij heeft tussen hoog en laag gehangen. Hij is de brug tussen boven en beneden. Er was niemand zoals Hij. Hij is mens geweest. Hij is koning. En Hij spreekt tot ons in dat visoen. Vanuit de eeuwigheid. Met je armen over elkaar gaan zitten, sceptisch, of dat Koninkrijk nog wat wordt? Dat is geen taal van de gemeente. Het gaat om verwachting en verlangen. Voorbeeld van vader die zenuwachtig zijn kleinkinderen verwachtte die van ver moesten komen. Ging pas over als hij ze zag aankomen. Om zo’n houding gaat het. Die houding oefenen we hier elke zondag.. Want hier wordt het verschil gemaakt (niet pedant bedoeld), wordt een brug geslagen tussen laagland en het eeuwige van boven, het volmaakte.

Dat Koninkrijk dat wordt wat. Dat is niet te bewijzen, maar op te hopen, te geloven en te vertrouwen. Met een nog grotere verwachting dan Martin Luther King met alle mensen op de wereld die het ook verwachten. Geloof hechten aan die duidelijke stem in de hoogte: Zie, Ik maak alle dingen nieuw.

Amen

­