­

"Wij geloven dat vanuit de liefde

Gods elk mens waardevol is"

What’s in a name. Wat zit er in een naam. Shakespeare laat de vraag vallen in het treurspel Romeo en Julia. Door hun naam, hun afkomst waren ze beperkt, gevangen. Je naam, dat is ook voor ons een bindend gegeven. Ouders hebben hun ideeën, hun verwachtingen van het kind. En mede daarom geven ze het die bepaalde naam. Dat woord namen hangt samen met noemen. We hoorden daarnet over de eerste mens in die prachtige tuin van het begin. Adam, genoemd naar de aarde waaruit hij gevormd werd. Adam gaf alles om zich heen een naam. Zoals de mens het noemde, zó zou het heten.

Vanmorgen zijn we in een andere tuin. Een tuin, betreden door een vrouw. Een vrouw met een naam. Maria van Magdala. Een vrouw met verdriet. Behorend tot de wijde discipelkring van Jezus. Ze had Hem op de voet gevolgd. Vanaf het moment dat ze Hem had leren kennen tot en met die wrede onrechtmatige terechtstelling aan het kruis. Jezus was vroeger dan meestal gebeurde, gestorven. Ze hadden Hem begraven. In deze tuin, in dat nieuwe rotsgraf. Deze ochtend was zij poolshoogte gaan nemen, was ze waarschijnlijk van plan het lichaam verder te verzorgen. Ze was intens geschrokken toen ze het graf open aantrof. Wij zouden in haar plaats ook schrikken als er een grafsteen ontbrak. Als er iets met dat graf zou zijn, waarin je recent iemand had begraven. Iemand van wie je hield, met wie je lief en leed had gedeeld. Heel vers was het nog. Wat heet vers. Na jaren kan het nog zijn alsof het gisteren gebeurde. Rouw went immers niet. Rouw blijft schrijnen. ‘Ik voel me geamputeerd’ hoorde ik eens iemand zeggen. Maar de tijd gaat verder, en dan wordt het gewoon weer Pasen. Tenminste, dat staat op de kalender. Er zijn in die tijd passieconcerten, stille momenten in diensten en dan komt vandaag die paasblijdschap er achteraan. Hoe maak je die feestelijkheid mee, in dat verdriet, of als je diep in de sores zit vanwege een stukgelopen relatie, vanwege een kind in de problemen, een ziekte van jezelf of van een ander.

Maria slaat alarm vanwege die weggerolde steen. Er komen twee kerndiscipelen kijken die de feiten constateren. Met hen gebeurt ook wel het een en ander. Maar daar staan we nu niet bij stil. Johannes schrijft broodnuchter dat ze daarna weer naar huis gaan. Maria blijft. Op de plaats van het onbegrijpelijke. Met het verdriet waar ze geen weg mee weet. Ze wil zekerheid over dat lichaam van Jezus. Maakt zich druk over wat er gebeurd kan zijn. Ze klampt de eerste de beste persoon aan die ze in de tuin ziet. Een man die daar waarschijnlijk hoort. Die ziet hoe ze er aan toe is. Die ernaar vraagt. ‘Waarom huil je?’ Ze struikelt over haar woorden. Of hij er soms iets van weet, vraagt ze ten einde raad. Dan kan ze actie ondernemen. We kijken naar het plaatje. We zien de vrouw, de mens op de grond, vertrouwd met de aarde. En we zien boven haar, Maria moet opkijken, die man in zijn ontspannen houding, een hoed op tegen de zon, het gereedschap in zijn hand, hij luistert met aandacht.

De dichteres Ida Gerhardt schrijft over deze man. Dat ze zich dat schilderij herinnert uit haar kindertijd. Dat Hij een hovenier was. Dan gaat ze naar het verhaal van vanmorgen. Kruipt in de huid van Maria. Die dacht dat het de hovenier was. En uiteindelijk komt Ida Gerhardt bij zichzelf en weet zij uit diepe innerlijke overtuiging: Hij is de hovenier. In de tegenwoordige tijd. Nu, nu zij al lang geen kind meer is. Als haar leven bijna voorbij is. Hoe komt Ida Gerhardt zover. Hierdoor. Zij heeft een soort Maria-ervaring…. Jezus is tegen Maria niet gaan preken. Over hoe het allemaal in elkaar zit met de opstanding, of hoe God het nu precies bedoelt met ons mensen. Hij verklaart niets, Hij stelt zich ook niet aan haar voor. Het enige wat Hij zegt is: Maria! En daardoor weet Maria het wat een andere discipel in het volgende hoofdstuk van dit Evangelie uitroept: Het is de Heer! Er kan er maar één haar naam zo uitspreken. En in het uitspreken van die naam ligt alles besloten.

Dit tafereel herinnert ons aan die eerste tuin met die twee mensen. U weet wel die vrouw met die appel. En hoe dat verder ging. Hoe het over en uit was met dat paradijs. Maar hier wordt het hersteld. Door die hovenier met een hoofdletter H. Hier wordt niet gezegd: Adam waar ben je. Wat is er gebeurd? Wat heb je gedaan. Hier wordt alleen maar gezegd: Maria! Dat is een liefdesbenadering.

Pasen is een feest van blijdschap, van vreugde. Maar de wezenlijke paasvreugde, is niet een hapklare brok. Niet iets wat we kunnen organiseren, naar ons toe kunnen halen. Als je de Matthaus Passion van vrijdagavond hebt gemist, kun je dat later ook nog bekijken. Of je kijkt en luistert op Youtube of Spotify. Als je hem wel zag, heb je ook de belangrijke mensen op de eerste rij gezien. Goede Vrijdag in Naarden, the Passion, dat haalt het nieuws. Maar de persbureaus doen vandaag niets met dit prachtige moment tussen Jezus en Maria. Ze kúnnen het waarschijnlijk ook niet. Want hoe pak je dat aan. Hoe maak je een uitzending over iets wat niet te filmen is.

Toch is dit moment zo belangrijk, zo wezenlijk voor ons vanmorgen. Want hier moeten wij het van hebben. Maria is uiteindelijk na een kort gesprekje naar de anderen gegaan, gevlogen misschien wel. Zij is de eerste vrouwelijke dominee. Zij heeft het lied gezongen dat wij straks zongen: Ik zeg het allen dat Hij leeft, dat Hij is opgestaan, dat met zijn Geest Hij ons omgeeft, waar wij ook staan of gaan. Hij leeft. Dat maakt alles uit. Voor Maria, voor de andere leerlingen, voor iedereen die ervan hoort, toen en nu. Misschien zegt u. Ik vind het wel moeilijk hoor, dat paasgeloof. Soms staat het allemaal zo ver van me af. Hoe kom ik zover als Ida Gerhardt op haar ouwe dag. Daar is geen pasklaar recept voor. Eén ding weet ik zeker. Het gaat niet zonder die tuinman. Die tuinman die je naam noemt. Het komt tot een ontmoeting met Maria. Maria sprak hem aan, in haar totale verwarring. En toen ontdekte ze dat kinderlied: Je hebt een naam! Je wordt gezien, gekend. Dat zongen we aan het begin van de dienst. Als er iets is wat wij als mensen nodig hebben, is het dat, gezien gekend te zijn. We hebben er een heel leven voor gekregen om erachter te komen. Dat die man in de tuin, ja die man met die hoed, je bestaan, je leven vernieuwt. Bij Hem vind je, hervind je je leven.

Amen

Wat is een held. Stel nu dat heel Maarn hier op de Kapelweg achter iemand aanloopt, om iemand heenloopt, dat de mensen hun jassen, hun jacks op de straat leggen, dansen, springen, helemaal uit hun dak gaan. Wat zou dat voor iemand zijn die dat voor elkaar krijgt. Misschien zeg je iemand die in een of andere sport iets geweldigs gedaan heeft. Of een of andere grote popster die hier in Maarn op bezoek komt. Maar ja, we weten wel dat niet iedereen van sport houdt en dat niet iedereen gek is van popmuziek.

Als we dan nu nadenken over Jezus. Wat had Hij dan wel niet gedaan. Dat de mensen zo achter Hem aan liepen. Niet een paar mensen, maar eigenlijk iedereen. Oud, jong, ze kwamen overal vandaan. Ze waren voor een deel met Hem meegekomen en nu op de Olijfberg vlak bij Jeruzalem. Ze waren overal achter Hem, voor Hem, om Hem heen. Ze dansten, ze sprongen, ze zongen. Ze rukten de takken van de bomen. En zwaaiden ermee. En ze riepen. Dat Hij de grootste was, dat Hij de koning was. Het was wat. Al die mensen hadden dat niet met elkaar afgesproken. Het gebeurde gewoon. Het was één grote explosie van vreugde.

Gemeente van Jezus Christus,   

Om te beginnen een gedicht. Van Guido Gezelle.

Gij bad op enen berg alleen

Gij bad op enen berg alleen,
en... Jesu, ik en vind er geen
waar 'k hoog genoeg kan klimmen
om U alleen te vinden:
de wereld wil mij achterna,
alwaar ik ga
of sta
of ooit mijn ogen sla;
en arm als ik en is er geen;
geen een,
die nood hebbe en niet klagen kan;
die honger, en niet vragen kan;
die pijne, en niet gewagen kan
hoe zeer het doet!
O leer mij, arme dwaas, hoe dat ik bidden moet!

Gemeente van Jezus Christus,   

Het sleutelwoord in de lezing van vanmorgen is gezag. Hoe kom je daaraan. Niet meer zoals vroeger door je positie, door je status. Artsen, dominees, notarissen, het zijn beroepen als andere beroepen. Politiemensen bij uitstek gezagsdragers hebben het moeilijk om hun werk met gezag uit te oefenen. Je moet je gezag in onze tijd verdienen. Sommige mensen hebben het gemakkelijk doordat ze het van nature uitstralen. Is Jezus van Nazareth er zo een?  Nou dan werkt dat Nazareth om te beginnen al niet mee. Want dat was een gat dichtgeplakt met krantenpapier. Maar daar is Jezus vanmorgen niet.

Gemeente van Jezus Christus,

Anekdote/kwestie eerste gemeente: Verzoek aan oud-kerkenraadslid om ergens in te bemiddelen. Nadat ik het een en ander had uitgelegd, zei hij supersnel:  Ik voel me totaal niet geroepen om dat te doen. Ik moet een onthutst gezicht hebben gehad. Hij zei. Ja, ik zeg het maar recht voor z’n raap. Ik: ik had niet verwacht dat u het op uw roeping zou betrekken. Dat doe ik ook niet. Maar u zegt het. Nou ja, dat is maar een uitdrukking zei hij. We hebben toen een heel gesprek gehad over roeping. En wat dat nou precies inhoudt. Het kostte een aardig stuk van de middag.  Met de gelukkige uitkomst dat die man het toch ging doen.

­