­

"Wij geloven dat vanuit de liefde

Gods elk mens waardevol is"

Wist je dat er geen instrument is dat zo met z'n tijd meegaat als het pijporgel?
Je zou kunnen zeggen: Elke stijlperiode heeft z'n eigen orgel(type).
Ik laat in dit stukje er twee de revue passeren: het Barokorgel en het Romantische orgel.

Bij Barok denk je natuurlijk meteen aan Bach, maar ik moet er wel bij zeggen dat de waardering voor Bachs manier van musiceren nú aanzienlijk groter is dan in zijn tijd, en dat heeft niet alleen te maken met het "kleiner" worden van de wereld.
Toen Bach met zijn talent de mogelijkheden van de muzikale spelregels van de Barok tot het uiterste uitbuitte, hadden veel van z'n tijdgenoten het eigenlijk al gehad met de Barok. Ze vonden de muziek van de oude Bach maar ingewikkeld.Waarom ingewikkeld? Antwoord: polyfonie.In de polyfonie streeft de componist naar een muzikaal weefsel van onderling gelijkwaardige stemmen. Dat kan soms best ingewikkeld klinken. En dan zijn we meteen bij het Barokorgel. Want de belangrijkste eigenschap van een Barokorgel is dat hij transparante muziek moet kunnen voortbrengen. Je moet de verschillende draden in het weefsel, met een beetje moeite, kunnen onderscheiden. Het moet geen brij van klanken worden die op en neer golft tot aan het bevrijdende slotakkoord.

Wat kenmerkt nog meer het Barokorgel? 
Eenvoudig gezegd, de afwezigheid van toeters en bellen. En wat die toeters en bellen zijn, daar kom ik straks op terug. 

Bekende orgelbouwers uit de barokperiode zijn Arp Schnitger en zijn zoon Franz Caspar (orgel in de Grote kerk te Zwolle) en Christian Müller (orgel in de Grote of St Bavokerk te Haarlem). Van dat laatste orgel hierbij een foto. Let vooral op de verticale opbouw van het orgelfront.

Dan nu het Romantische orgel, je zou kunnen zeggen, het andere uiterste. Niet meer het helder en transparant verklanken van een weefsel van gelijkwaardige stemmen, maar juist met het versmelten hiervan of met één pakkende melodie gevoelens tot uitdrukking brengen. Het klankideaal werd het orkest en de orgels die aan dit ideaal voldeden werden dan ook symfonische orgels genoemd. De Romantiek, de 19de eeuw, was dan ook de tijd van de grote symfonieën van Beethoven c.s. 

Maar ja, hoe bouw je met dit klankideaal in je hoofd een goed orgel? Dat was nog niet zo makkelijk. Toen was daar opeens Aristide Cavaillé Coll, de absolute ster van de Franse orgelbouw. Zonder Cavaillé Coll geen Cesar Franck, Widor of Vierne, althans, niet de soort muziek die zij schreven.
Heel Parijs staat vol met zijn orgels. 

Zwelkasten, generaal crescendo (met één "gaspedaal" van ppp naar fff via automatisch bijschakelen van registers), een apart pedaal voor "orage (=onweer)..........., als dat geen toeters en bellen zijn!! 
Ook in Nederland staan een 10-tal orgels van zijn hand. Maar wat nog belangrijker is, de oudste orgelmaker van Nederland, de firma Adema, heeft zijn stijl van orgelbouw opgepikt. Adema's "masterpiece" staat in de Kathedrale Basiliek St. Bavo in Haarlem. (zie foto, let op de horizontale lijn van de orgelopbouw). 
Ook dichterbij Maarn is er in 2008 een prachtig Adema orgel geplaatst, in de Grote kerk van Scherpenzeel. Met een "orage". Alleen daar heet het........... Donder!!

Folkert Horst

­