­

"Wij geloven dat vanuit de liefde

Gods elk mens waardevol is"

Zo'n dertig jaar geleden kampeerden Gerie en ik in Spanje, op de zuidflanken van de Pyreneeën.

We gingen een dagtochtje maken naar Alquézar. Een plaatsje met een sprookjesachtige Moorse naam, gelegen hoog boven  de Río Vero, de rivier die bekend is van z'n in witte kalksteen diep uitgesleten cañons. Dè bezienswaardigheid is de kerk van het Colegiata de Santa María la Mayor, hoog op een heuvel met prachtig uitzicht.

De klim daarnaartoe werd rijkelijk beloond, onder andere door het prachtige orgel dat we daar aantroffen. Zo te zien heel oud, naar later bleek een van de oudste van Spanje, rijk gedecoreerd met houtsnijwerk en natuurlijk voorzien van Spaanse Trompetten: liggende, naar voren stekende trompetvormige pijpen (zie foto).

Er scharrelde een oude vrouw rond, misschien wel de kosteres. Ze verstond een paar woorden Engels. We brachten onze bewondering voor kerk en orgel onder woorden en Gerie zei, tot mijn verbazing, want meestal liep ze daar niet mee te koop: Mijn man is organist. Hierop draaide de vrouw zich om, verdween en kwam na een tijdje terug, voorzien van een hele oude, hele grote sleutel en of we haar maar wilden volgen.

Via verborgen deuren, trappetjes en allerlei kruip- en sluipwegen stonden we opeens op de orgelgalerij, de vrouw schakelde de motor aan (zo modern toch weer wel) en de señor moest maar muziek maken. Het pedaal leek uit een verzameling stokken te bestaan, enorm veel registers en schrikbarend rammelende toetsen, maar dat werd ruimschoots overstemd door het geluid dat het orgel voortbracht en wat voor een geluid. Heel scherp, doordringend, maar, als je eenmaal van de schrik bekomen was, wel mooi, typisch middeleeuws, denk ik dan maar.

Het was een zeer gelukzalig moment, dus het gezang "Dankt, dankt nu allen God" leek me wel op z'n plaats, te meer daar dat indertijd een van de weinige koralen was die ik zonder muziek voor m'n neus kon spelen.

***

Zo'n twintig jaar later ben ik, maar nu met Nienke, weer in Noord-Spanje en ik wil ze graag Alquézar laten zien met de kerk op de heuveltop. Uiteraard bleek er niet veel veranderd, zelfde inrichting, zelfde orgel en, ja hoor, weer een vrouw (de kleindochter?) die daar rondscharrelt. Ik vertel de vrouw (in het Spaans, ik heb ook niet stilgezeten in de tussentijd) dat ik lang geleden op dat orgel gespeeld heb en wat gebeurt er tot onze verbijstering: ze draait zich om, loopt weg en komt weer terug met een hele oude, hele grote sleutel. En of we haar maar wilden volgen.

Hoewel mijn repertoire inmiddels wat uitgebreid is werd het weer: "Dankt, dankt nu allen God.

In mijn vorige stukje ben ik begonnen met een sprookje. Vervolgens bleek dat het sprookje op een heleboel punten niet klopte. Maar het slotakkoord van het sprookje klopte wel: "Overal waar je kijkt: Orgels".

Er was eens een jongetje dat heel rijk wilde  worden.

Nu willen de meeste jongetjes dat wel, maar dit  jongetje wilde met al dat geld dat hij zou verzamelen ook hele goeie dingen  doen.

Wist je dat er geen instrument is dat zo met z'n tijd meegaat als het pijporgel?
Je zou kunnen zeggen: Elke stijlperiode heeft z'n eigen orgel(type).
Ik laat in dit stukje er twee de revue passeren: het Barokorgel en het Romantische orgel.

De scriba heeft mij gevraagd een rubriek over Orgels te verzorgen.
Ik ga dat proberen, dus u zult hier regelmatig stukjes van mijn hand aantreffen die iets met orgels te maken hebben. Maar niet alleen van mij want ik zal ook andere organisten vragen om mee te doen.

Ik begin met de eenvoudige vraag:

Orgels, hoe kwamen ze in de (protestantse) kerk?

Het antwoord is verrassend eenvoudig: Ze waren er al!
Toen de calvinisten na de reformatie de kerken van de katholieken overnamen kregen ze de orgels erbij cadeau. Maar daar zaten ze niet op te wachten. Er is zelfs een synode geweest die aan de overheid gevraagd heeft om de orgels uit de kerken weg te halen. En in sommige plaatsen heeft het tot in de 19de eeuw geduurd tot het orgel in gebruik genomen werd. (bijv.: Naaldwijk, 1831)

­