­

"Wij geloven dat vanuit de liefde

Gods elk mens waardevol is"

In het televisieprogramma Nieuwsuur kwam onlangs (25 augustus) de ontwikkeling op kerkelijk gebied met betrekking tot kerkgebouwen aan de orde. Het is inmiddels al jaren een bekend verschijnsel dat her en der in den lande kerkgebouwen worden afgestoten, een proces dat almaar doorgaat. Er zijn inmiddels al heel wat, soms beeldbepalende, kerkgebouwen verdwenen. Een treurige zaak.

Wat waren en zijn de ontwikkelingen op de Utrechtse Heuvelrug was de vraag die bij mij opkwam. Ik beperk mij tot de PKN-kerken. In Driebergen is de Maranatha-Morgensterkerk  verdwenen, in Doorn staat de Kampwegkerk na een alternatieve functie wederom te koop en in Maarn is enkele jaren geleden de Ontmoetingskerk verkocht. Blijft het daar bij of gaat het in Amerongen en Leersum ook die kant op?

De oorzaak – ontkerkelijking – is bekend, evenals de financiële gevolgen daarvan. Als instandhouding niet meer mogelijk is en verkoop van een kerkgebouw onontkoombaar is vanwege dalende inkomsten en stijgende kosten dan is dat een pijnlijke zaak.

Maar er is meer aan de hand. Parallel aan deze ontwikkelingen zie je dat te handhaven kerkgebouwen heringericht worden. Dat is gebeurd met de Grote Kerk in Driebergen, met de Maartenskerk in Doorn en met de Kapel – sindsdien Ontmoetingskapel – in Maarn. Bij dergelijke ingrepen blijft het exterieur onaangetast maar wordt het interieur ingrijpend aangepast.

Kortgeleden las ik een bericht over de herinrichting van de Andrieskerk te Amerongen, evenals de Maartenskerk te Doorn een historisch monument. Ook nu weer verontrusting en kritiek over de nieuwe inrichting, over het gedeeltelijk verloren gaan van het historische interieur, over banken die plaats moeten maken voor stoelen die misstaan in het interieur.

Waar kies je bij herinrichting (overigens ook bij nieuwbouw) voor, voor een kerkgebouw dat ook voor andere doeleinden bruikbaar is, of voor een multifunctionele inrichting waar ook kerkdiensten kunnen worden gehouden. Wordt het historische interieur zo veel mogelijk in stand gehouden of gaat er heel veel op de schop? Hopelijk zijn er over vele jaren toch nog authentieke kerken met het originele interieur over.

Cees Tiernego

Hebt u dat ook wel eens, de neiging dat u de televisie de deur uit zou willen doen omdat er niets interessants van enig niveau tussen de programma's is te vinden.

Deze zomer was er weer veel sport (WK, Tour, Wimbledon). Maar ook de vele talkshows waar steeds dezelfde “bekende nederlanders” aan tafel zaten. Toen zo ongeveer iedereen overal aan bod was geweest om zijn of haar zegje te doen over de uitglijder van minister Blok was de hype prompt over. Volgende zaak!
Max kan mij ook niet echt boeien met “Heel Holland bakt” of “Wij zijn er bijna”, maar dat is een kwestie van persoonlijke smaak.

Nee, geef mij dan maar het programma “Kijken in de ziel” van Koen Verbraak. Kent u het, kijkt u er ook naar? In de afgelopen jaren is onder anderen met juristen, artsen, militairen en schrijvers gesproken en nu is het laatste woord aan geestelijk leiders en predikanten. Een bont maar ook interessant gezelschap, naast drie predikanten en een hulpbisschop komen twee rabbijnen, twee imams, twee boedhisten en een hindoepriester aan het woord. De één komt daarbij vaker aan het woord dan de ander maar blijkbaar heeft die in de optiek van Koen Verbraak dan meer te zeggen dan de ander. Boeiend zijn dan de soms grote verschillen van mening over een bepaald onderwerp.

Zoudt u zich in de ziel willen laten kijken? Tijdens de ouderenmiddagen gebeurde zoiets ook, maar dan niet persoonlijk. De deelnemers konden zich vrijelijk uiten over de vragen met betrekking tot het onderwerp.

Over enige tijd beginnen we weer met het vormingswerk en andere activiteiten. Zou daar iets dergelijks zijn in te passen? Het lijkt mij de moeite waard om te proberen met een kleine groep te spreken over wat ons beweegt en wat wij vinden van ontwikkelingen in kerk en samenleving. Kijken in de ziel, durft u het aan?

Cees Tiernego

Ter gelegenheid van het overgaan op een nieuw Liedboek schreef ik destijds een lied dat in Ten Dienste is gepubliceerd. Bij het zoeken naar een document op mijn computer kwam ik dat lied ineens weer tegen. Het is dus een gedateerd geschrift, wij zijn inmiddels 5 jaar verder en gewend aan het gebruik van het nieuwe Liedboek. Toch leek zo'n lustrum mij wel een passend moment voor een herdruk. Bij deze.

Tot nu toe heb ik in mijn columns nooit plaatselijke situaties of ontwikkelingen aan de orde – of zo u wilt “aan de kaak” – gesteld. Dat is namelijk een heikele zaak. Je kan zomaar op iemands tenen gaan staan en dat probeer ik te allen tijde te vermijden. Ook lezen anderen mee. Toch zijn er wel eens zaken waaraan ik in een column aandacht zou willen besteden. Vandaar dat ik nu toch een plaatselijke situatie aan een beschouwing wil onderwerpen. Dat iemand het niet met mij eens hoeft te zijn is natuurlijk vanzelfsprekend.

Je hoort of leest dit woord bijna dagelijks. Het gaat dan duidelijk niet over uw of mijn identiteit, maar over onze identiteit, onze Nederlandse identiteit, die dan vaak nader wordt aangeduid als onze Joods-Christelijke identiteit. Politici uit bepaalde hoek gebruiken deze terminologie regelmatig, om niet te zeggen te pas en te onpas. Waar gaat het dan over?

­